De 5 skandhas

Het veranderlijke zelf

Wie ben ik? Wat ben ik? Ik praat over mijn lichaam, mijn geest, mijn gedachten, mijn gevoelens, mijn karakter  alsof dat alles een eigenaar heeft die er los van staat: ík. Een ik dat onveranderlijk is, een kern, een essentie, die hetzelfde is gebleven sinds mijn geboorte. Minstens. In die tijd is alles veranderd: mijn lichaam is volwassen geworden en verouderd, mijn gedachten en gevoelens veranderen voortdurend en ook de patronen daarin (karakter) zijn niet meer hetzelfde. Wat is dan die drager van dit alles, dat vaste zelf?

Volgens het boeddhisme is dat onveranderlijke zelf een illusie. Er is wel een zelf, maar alleen een zelf dat van moment tot moment verandert. Een momentaan zelf, dat maar heel even bestaat en dan overgaat in een nieuw, al even kortstondig zelf. We kunnen daar nog iets nauwkeuriger naar kijken en dat momentane zelf ontleden in vijf elementen: de vijf skandhas (soms vertaald als de vijf geledingen of groepen, maar omdat die termen de zaak niet verduidelijken, houd ik het maar bij skandhas).

De eerste skandha is vorm of materie. Tot het momentane zelf dat hier achter de computer een tekst aan het schrijven is, hoort een fysiek lichaam, inclusief de zes zintuigen. Zes, omdat het boeddhisme naast ogen, oren, neus, tong en huid ook de geest als een zintuig ziet  (en wat dat zintuig waarneemt, zijn gedachten). Ook de door de zintuigen waargenomen omgeving van dat lichaam hoort tot de skandha van vorm: de laptop, het bureau waar die op staat, de lamp die het toetsenbord verlicht, dat licht zelf, de lucht en de trillingen daarin, enzovoort. Maar pas op:  als ik schrijf ‘lichaam, ogen, oren, laptop, bureau, lamp, licht’ dan ben ik al aan het conceptualiseren, dan heb ik de zee van deeltjes die een lichaam en een fysieke omgeving vormen al gesplitst in onderdelen en die elk apart benoemd. Die concepten behoren niet tot de eerste skandha; alleen de materiële of energetische basis ervan.

Een volgende skandha is bewustzijn. Er hoort een vorm van bewustzijn bij elk zintuig: visueel bewustzijn als er zien is (als ‘ik’ iets zie) , auditief bewustzijn als er horen is, geestesbewustzijn als er denken is, enzovoort. Op het moment dat een zintuig contact maakt met een voor dat zintuig geschikte vorm (het oog met een voorwerp, het oor met een geluid), ontstaat het bijbehorende zintuigbewustzijn: de vorm wordt ervaren. Bij ervaring denk je al gauw aan iets dat een paar minuten duurt, maar het contact kan zich beperken tot dat ene, korte moment. Het volgende moment kan weer een ander zintuiglijk bewustzijn opkomen, in zo’n snelle afwisseling dat het lijkt of we tegelijk kunnen zien, horen, voelen, ruiken, proeven en denken.

Op het moment van contact gebeurt er van alles. Om het uit te leggen moet het in een volgorde worden gezet, maar onthoud dat het allemaal tegelijk gebeurt.

De skandha van herkenning of perceptie maakt gebruik van het opslagbewustzijn, een zevende vorm van bewustzijn die onder meer het geheugen omvat maar een ruimere betekenis heeft. Vanaf heel jonge leeftijd leren we vorm te splitsen in onderdelen en wat later ook om die onderdelen namen te geven: oog, oor, vinger, laptop, bureau, lamp, licht. Al die concepten en hun namen zijn als zaden in het opslagbewustzijn aanwezig en kunnen door een contact geactiveerd worden. Herkenning is daarmee geconditioneerd: als er herkenning is, is er al meer dan alleen de zuivere ervaring. En herkenning hoeft niet altijd juist te zijn: je denkt uit je ooghoek de kat te zien, maar het is een trui, of je hoort een onaardige opmerking, maar die was helemaal niet zo bedoeld.

Aan elk contact zitten verder twee aspecten, namelijk sensatie en gevoel. Sensatie is de reactie van het lichaam op het contact. Er is horen en er ontstaat kippenvel. Er is zien en er verschijnt een brok in de keel. Er is denken en de hartslag en het adrenalineniveau gaan omhoog. Meestal is een sensatie veel subtieler dan in deze voorbeelden: er verandert iets in het lichaam maar dat is nauwelijks te merken. Dit puur lichamelijke, fysieke aspect hoort tot de eerste skandha (vorm of materie).

Het andere, uiterst belangrijke aspect is de skandha van het gevoel: de onmiddellijke evaluatie van het contact als aangenaam, onaangenaam of neutraal.  Deze evaluatie is vaak geconditioneerd door eerdere ervaringen. Een muziekstuk wordt soms pas als mooi (aangenaam) ervaren als het een aantal keren gehoord is. Olijven en gember worden door weinig mensen meteen lekker gevonden en sigaretten al helemaal niet. De aanraking van iemand waar je verliefd op bent is uiterst aangenaam, maar diezelfde aanraking kan zeer onaangenaam zijn als de verliefdheid voorbij is en je genoeg hebt van die persoon. Ook bij gevoel speelt dus het opslagbewustzijn een rol.

Verreweg de meeste contacten zijn neutraal, maar het zijn vooral de aangename en de onaangename die tot problemen leiden.

Want daar reageert het momentane zelf op: met begeerte als het aangenaam is en met afkeer als het onaangenaam is. Die reactie hoort tot de vijfde skandha, de skandha van de drijfveren. Tot deze skandha behoren alle mentale activiteiten waarbij wil of intentie een rol speelt. Er zijn heilzame drijfveren zoals  vertrouwen, opmerkzaamheid, onbaatzuchtigheid, welwillendheid en gelijkmoedigheid maar ook onheilzame zoals begeerte, haat, jaloezie, gierigheid, schaamteloosheid en rusteloosheid. Deze skandha is heel nauw verbonden met de wet van karma, de wet van oorzaak en gevolg die veel van ons handelen drijft. Iedere handeling (iets doen, iets zeggen of iets denken) die voortkomt uit begeerte of afkeer, plant een zaadje in het opslagbewustzijn. Dat zaadje zal vroeg of laat, als de omstandigheden daar aanleiding toe geven, vrucht dragen door zich in het geestesbewustzijn te manifesteren als een nieuwe drijfveer die kan leiden tot een nieuwe handeling die een nieuw zaad achterlaat, enzovoort. Kán leiden en niet móet leiden: de keten kan doorbroken worden door niet op de drijfveer in te gaan.

Niet alle drijfveren komen voort uit begeerte of afkeer – we doen heel veel dingen die daar niet of nauwelijks mee te maken hebben. Je hebt honger en maakt een boterham voor jezelf klaar. Je staat op om naar het toilet te gaan. Je hebt het koud en trekt een trui aan. Allemaal zaken die heel goed karmisch neutraal kunnen zijn. Zonder drijfveren zouden we geheel tot stilstand komen, zouden we nooit meer iets doen.

Het idee van een vast zelf is een hele sterke drijfveer. We zijn voortdurend bezig met dat zelf te beschermen en het te vergelijken met anderen: ben ik wel goed genoeg, vinden ze me wel aardig genoeg, wordt er wel naar me geluisterd, enzovoort. Door meditatie kan het idee van zelf soms wegvallen – opeens is er alleen een stroom van bewustzijn waarin geen ik of omgeving te onderscheiden is. Dan is er handelen dat geen sporen achterlaat, het handelen dat ook wel wordt aangeduid met niet-doen. Maar ook zonder die ervaring is het nuttig om het beeld van een vast zelf bewust te relativeren. Als er bijvoorbeeld verontwaardiging opkomt omdat iemands iets onaardigs zegt, kun je een stap achteruit doen en de gedachte op laten komen: ‘weet ik wel zeker dat het onaardig bedoeld was?’ of ‘wat valt er te beschermen?’. Of je kunt naar de verontwaardiging kijken op het niveau van de sensaties, dus naar wat er in je lichaam gebeurt. Beide kunnen er toe leiden dat de stroom van verontwaardigde gedachten ophoudt. En daarmee vermindert het lijden – dat van jezelf en als je geen ruzie gaat maken, ook dat van je gesprekspartner.

 

Tekst geschreven door Jiun roshi, zenmeester Noorder Poort